"Eenlettergrepige" niet-ontleende Westvlaamse s-meervouden

jaar van publikatie: 
1990

l Inleiding
   De problemen bij de Nederlandse s-meervouden zijn talrijk, ingewikkeld en intrigerend. Voor die uit het ABN verwijs ik naar de voortreffelijke behandeling ervan in de ANS, en de daarbij gegeven literatuur; die uit de dialekten bevatten een aantal afwijkingen van het ABN; tenslotte zijn er die uit de teksten, en het voornaamste probleem daar lijkt me dat ze relatief zo uiterst zelden voorkomen.
   Zoals bekend is de problematiek rondom hun ontstaan een centrale kwestie: zijn ze een autochtone ontwikkeling of berust het s-meervoud als zodanig op ontlening aan het Frans en/of het Engels?
   Zoals de titel aangeeft, wil ik door drie beperkingen de problemen wat meer meester proberen te worden: s-meervouden van leenwoorden negeer ik, eventuele ritmische factoren (die bij meerlettergrepigheid optreden) laat ik buiten beschouwing, en tenslotte beperk ik me tot West-Vlaanderen, waar eenlettergrepige s-meervouden het eerst aangetroffen zijn (Pijnenburg 1989:58) en waar ze tot vandaag het talrijkst zijn.

2 Drie goudmijnen
   Voor de rekonstruktie van wvl s-meervouden van ongeveer anderhalve eeuw geleden hebben we voornamelijk drie hulpmiddelen: De Bo (1873), de resultaten van de enquête-Willems van ongeveer 1888, en een bijzonder uitvoerig Oostends woordenboek van Desnerck (1988). Het zijn alle drie echte goudmijnen.

2.1 De Bo
   De Bo werd in 1826 geboren in Beveren aan de Leie, en werd na priesterstudies leraar aan het Brugse St.-Lodewijkscollege. Als taalpartikularist wou ie bijtijds de wvl woordenschat vastleggen zodat de WNT-redactie die kon verwerken. Over zijn werkwijze vertelt ie enkel dat ie een aantal lijsten verwerkt heeft van verschillende mensen, daaronder de "eerw. heer G. Gezelle" (1873:XIII). Verder is er bijna niks bekend over de voorgeschiedenis van z’n boek, genoemde lijsten zijn verdwenen, en we weten dus niet welke methode die gebruikt heeft, en of er nog onverwerkt materiaal aanwezig is. – Behalve de lijsten hebben ook oudere teksten (vanaf 1519) De Bo materiaal opgeleverd, naast een aantal "uit onzen tijd" (XVIIvv).
   Helaas geeft hie nergens meervouden, maar hier en daar verspreid in een werk van 1481 bladzijs verrassen allerlei vrij uitvoerige morfologische overzichtjes ons.
   Het eerste onder de S is heel belangrijk (966). Het begint als volgt: "De mannelijke en onzijdige substantiefs, die met den klemtoon eindigen of die eensylbig zijn, hebben in het mv. den uitgang en, doch in Fr[ansch]-Vl[aanderen], Veurne-Ambacht en het Poperingsche ook (cursivering van mij) den uitgang s, b.v. bands, hands [...]. Ook nog boomen, dagen [...] en eenige andere, die niettemin in samenstelling met een ander woord ook de s nemen, b.v. handbooms, koopdags [...] enz."
   Dan geeft ie enkele uitzonderingen op de genusbeperking, en besluit ie: "Eindelijk zijn er eenige van die soort van meervouden die men bij alle West-Vlamingen hoort, b.v. smids (smeden), wijfs, baais [...] enz." (In de herdruk (Samyn 1892) is de hele passage onveranderd gebleven.)
   Zijn scherpe opmerkingsgave legt de basis voor ons onderzoek: vrouwelijke eenlettergrepige doen zelden mee, het kerngebied ligt in het zuidwesten (de Westhoek), een woorddeel (b.v. -dags) gedraagt zich soms anders als het overeenkomstige woord (b.v. dagen), en er zijn (vlg. het gecursiveerde ook) heel veel meervoudsdoubletten, met name dan in de Westhoek. Hij noemt leenwoorden uit het Frans niet met name als uitzondering op de genusregel, maar z’n voorbeelden suggereren dat er toch wel een verband is.

   Twaalf jaar na De Bo z'n indrukwekkende pionierswerk blijkt dat op de Oostendenaar Vercouillie zoveel indruk gemaakt te hebben dat ie de spraakkunstonderdelen eruit geordend kritisch samenvat in een artikel (1885). Hij spreekt niet over dubbele meervouden, maar zegt wel (niet kritisch genoeg) over "Fr.-VI., Veurne-Ambacht en het Poperingsche" dat (ik cursiveer) "alle eenlettergrepige of met den klemtoon eindigende mann. en onz. namen [...] hun meerv. met s" vormen. Van die regel zijn uitgesloten "de woorden op n g, nk, s en sch; verder boom, dag [...] en eenige andere, tenzij in samenstellingen; dus dagen, maar koopdags" (1885:25v). In heel West-Vlaanderen treedt dit eenlettergrepige s-meervoud volgens hem bij minstens 23 andere woorden op. Hier begint een klein stukje eigen werk van Vercouillie, want nu geeft ie een paar vormen die De Bo niet had. Nieuw is ook z’n mededeling dat we een s-meervoud vinden bij woorden "eindigende op eene lig. voorafgegaan van eene andere consonant: arm, doorn" (1885:26).
   Ik heb in de eerste kolom van het overzicht (3) alle vormen van De Bo overgenomen, en daarnaast de toevoegingen van Vercouillie van een (V) voorzien.

2.2 Willems
   Een tweede geweldige wetenschappelijke en organisatorische prestatie uit deze tijd levert de Leuvense hoogleraar Pieter Willems, officieel jurist, maar in feite germanist-klassikus (Goossens 1989:6v). In 1885 verstuurt ie voor een dialektenquête enkele honderden dikke vragenboekjes, waarvan er ruim 340 teruggekomen zijn. Dat leverde in totaal een kleine twee miljoen gegevens op, zodat het weinig moeite kost om te konkluderen dat dit materiaal het belang van dat van Winkler (1874), dat van het Aardrijkskundig Genootschap (1879) en dat van Leopold en Leopold (1882) ver en ver overtreft.
   Blijkbaar heeft ie De Bo heel goed gelezen en blijkbaar ook intrigeren de dialektische eenlettergrepige s-meervouden hem eveneens. Hij vraagt van een kleine duizend woorden (veel meer als De Bo geeft) het meervoud en het verkleinwoord, en die woorden zijn in hoofdzaak eenlettergrepig, en er zitten er ongewoon veel tussen waarbij een grote kans bestond op een s-uitgang. Het is onduidelijk hoe zijn speurzin die ontdekt heeft.
   Dankzij al die toevallen is ook het materiaal-Willems met name voor Frans-Vlaanderen – vaak het antiekste stuk van ons taalgebied – een bijzonder rijke goudmijn voor eenlettergrepige s-meervouden. (Toch heeft ie ook niet àlle woorden van De Bo gevraagd.)
   Uit Frans-Vlaanderen kwamen 15 antwoorden voor 13 plaatsen (Ryckeboer 1989:108). Twee dingen in dat materiaal lopen sterk uiteen: de aantallen s-meervouden en die van de dubbelvormen daarmee. Zo heeft de vermaarde 16e-eeuwse industriestad Hondschote ± 19 eenlettergrepige s-meervouden op de lijst (en geen dubbelvormen), tegenover ± 169 eenlettergrepige s-meervouden uit het landelijke Rozendaal (bij Duinkerke) met ongeveer 61 dubbelvormen (± 36%). Ongetwijfeld zitten hiertussen een groot aantal koncessies aan de tekstvormen: de meeste inzenders waren priesters en kenden het Nederlands dus op zijn minst uit katechismussen en preekboeken met hun ouderwetse spelling in woorden als plooyen of haecken. Waren de niet-s-meervouden allemaal aan die teksten ontleend? Om toch enige controle hierop te hebben, heb ik in 1989 Mevrouw Fermaut uit Winnezele bezocht, en haar een aantal enkelvouden uit het beginstuk van mijn overzicht voorgelegd. Waar ze een s-meervoud gaf, heb ik dat in fonetisch schrift aangeduid; er blijkt uit dat ze er maar relatief weinig kende, en dat ook bij haar de n-meervouden vrij talrijk waren. Met de rest van de lange lijst heb ik haar daarna niet meer willen vermoeien.
   Tenslotte heb ik Sepieter (1978) nog gebruikt voor enkele aanvullingen (S met bladzijnummer).

2.3 Desnerck
   In 1972 verscheen de eerste druk van het Oostends Woordenboek van de folklorist Desnerck, in 1988 de derde, die ik gebruikt heb. Al ligt er een eeuw tussen dit boek en de twee vorige bronnen, de schrijver geeft een "volledige" woordenschat met een benaderende uitspraak; bij alle zn's staat de meervoudsvorm (een tweede of derde, als die er was), en in een paar vruchtbare mondelinge kontakten heb ik aanvullende gegevens kunnen krijgen.
   Het boek heeft als verdere voordelen voor ons onderzoek, dat het zich specialiseert in visserstaal, die per definitie ouderwets is en die ons in dit speciale geval wat dichter brengt bij de Westhoek, omdat er nogal wat Panse vissers naar Oostende gekomen zijn. Niettemin heb ik Rigaux (1976) als aanvulling gebruikt; de gegevens daaruit zijn kenbaar aan de toevoeging (R).
   Ik heb in Desnerck alle s-meervouden aangestreept, de niet-ontleende eenlettergrepige en samenstellingen met zo'n woord als tweede lid, eruit gelicht (meestal maximaal twee). Dat alles is afgedrukt als middelste kolom in het overzicht.
   Twee al bekende verschijnselen blijken zich hier te herhalen:
1. de dubbele meervoudsvormen met generatieverschil enz.: overal waar er een tweede (een derde) was, heb ik die
in het schema erbij vermeld;
2. het s-meervoud in samenstellingen, waartegenover een n-meervoud staat in het ongelede woord.

   Allebei de verschijnselen wijzen ondubbelzinnig op de afbraak van de s-meervouden; naar mijn idee een proces dat al eeuwen aan de gang is.

...zie verder het volledige artikel als PDF

BijlageGrootte
Eenlettergrepige_niet-ontleende_Westvlaamse_s-meervouden2.pdf286.81 KB